kwispel

mannelijk (de)/ˈkwɪspəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bundel haar of draad, gebruikt als versiering
  2. bundel haren of draden aan een steel, zoals gebruikt om vloeibare stof op een ondergrond of in de lucht te verspreiden
    Acht uur ’s ochtends, dinsdag 14 mei. In Houffalize achter hotel Vayamundo staan vierenveertig veteranen met ronkende motoren op een parkeerplaats. Klaar om met de kwispel van krijgsmacht-aalmoezenier Tom van Vilsteren te worden ingezegend voor een tien dagen durende bedevaart naar Lourdes.
  3. zijdelingse beweging heen en weer met de staart, vooral bij honden
    ‘En nu nog wat kwispelles,’ zegt de juf. ‘Probeer iets minder woest met je staart te zwaaien, en maak een kleine elegante kwispel op de maat van de stappen.’ Alle honden lopen in de maat en proberen zo mooi mogelijk te kwispelen.

Etymologie

*: "kwispelen" zonder de uitgang -en