woorden
boek
Start
›
L
›
laagseizoen
laagseizoen
onzijdig (het)
/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
is de periode buiten het hoogseizoen
De herst en de winter zijn het laagseizoen voor badplaatsen.
Verwante woorden
laag
laag zuthem
laag-bij-de-gronds
laag-bij-de-grondse
laag-bij-de-grondser
laag-heukelom
laag-keppel
laag-soeren
laagbetaald
laagbetaalde
laagbetaalden
laagblijvend
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← laagrentende
laagseizoenen →