laag

mannelijk/vrouwelijk (de)/lax/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
    Deze laag bevat opvallend veel iridium, dankzij de meteorietinslag van 65 miljoen jaar geleden.
    Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.
  2. sociologie (sociologie) sociale klasse

Etymologie

* In de betekenis van ‘niet hoog’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • de volle laagalles, in volle omvang van iets dat onprettig is

Vertalingen

Engelslayer, tier, low
Franscouche, bas, basse
DuitsLage, Schicht, niedrig
Spaanscapa, estrato, tongada
Italiaansbasso, bassa
Portugeesbaixo, baixo
Russischслой, низкий, низкий
Chinees
Japans低い
Koreaans낮다
Arabischمنخفض
Turksalçak
Poolsniski, niski, niski
Zweedslåg, låg, låg
Deenslav