laagte

vrouwelijk (de)/ˈlaxtə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats die minder hoog ligt dan zijn omgeving
    Binnendijks ontstond enige bebouwing rond de in de laagte achter de dijk gelegen kerk.
  2. muziek (muziek) een of meer tonen met een kleine frequentie
    Romie Esteves (Rosina) paart zwoele laagte aan heldere hoogte.
  3. geringe hoogte, niet hoog of verheven zijn als eigenschap
    Ik zie dat mijn mooie park, dat eens zo goed onderhouden was, als meest genoeglijke van de wereld, nu vervallen is tot schandelijke laagte.

Etymologie

*afgeleid van laag (bijvoeglijk naamwoord)