laars

mannelijk/vrouwelijk (de)/lars/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
    Zij heeft bijna altijd laarzen aan.
    Ze ruimden vooral toiletpapier, sigarettenpeuken, blikjes, flessen en voedselverpakkingen op. Soms ook zelfs plastic driewielers, leren laarzen en een bierflesje met een dode muis erin.

Etymologie

*Van Middelnederlands "laerse", een samentrekking van "lederhose". In de betekenis van ‘schoeisel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsboot
Fransbotte
DuitsStiefel
Spaansbota
Italiaansstivale
Portugeesbota
Russischсапог
Turksçizme, bot
Poolskozaki
Zweedsstövel
Deensstøvle