lachen
/ˈlɑxə(n)/
Wat is de betekenis van lachen?
lachen betekent: zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
Betekenis
werkwoord
- zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
- (inerg) (dierengeluid) het geluid van een hyena voortbrengen
Voorbeelden van "lachen" in een zin
- Hij lachte hartelijk om de kostelijke grap.
- Pietje moest bijna lachen, zo gek stond dat. Maar de heks was trots en blij.
- Ik had in tijden niet zo gelachen, hij was extreem geestig en een geboren entertainer.
Etymologie
*van Middelnederlands """ , in de betekenis van ‘met het gezicht vrolijkheid uitdrukken’ aangetroffen vanaf 1220 Verder etymologie onzeker; mogelijk te herleiden tot een Protogermaanse wortel *hlahjan- en verder tot *klek-. Cognaat met """, "laugh". Het zou ook oorspronkelijk een onomatopee kunnen zijn.
Uitdrukkingen
- De lachende derde — Iemand die buiten een conflict tussen anderen staat en op een bepaalde manier van dat conflict profiteert
- In zijn vuistje lachen — Min of meer stiekem en op een wat gemene manier lachen, gnuiven
- Lachen als een boer met kiespijn — Ongemeend lachen, terwijl men daar eigenlijk helemaal geen reden voor heeft maar door de situatie min of meer is gedwongen
- Lachen dat de lever schudt — Hard lachen
- Zich kapot lachen — Heel hard lachen
- Zich een breuk/bult/deuk/ongeluk lachen — Heel hard lachen
- wie het laatst lacht, lacht het best
Vertalingen
Engelslaugh
Fransrire
Duitslachen
Spaansreír
Italiaansridere
Russischсмеяться
Turksgülmek
Zweedsskratta
Deensle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek