ladderen

/ˈlɑdərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr, kleding (intr) (kleding) (van kousen) beschadigd raken waardoor een of meer draadjes in een fijn weefsel losraken en een langgerekt patroon van mazen ("ladder") ontstaat
    Alleen hele dikke kousen ladderen iets minder snel, maar die kousen zijn weer niet in trek omdat ze minder flatteus zijn.
    ladderen.
  2. ov, verouderd (ov) (verouderd) (onder studenten) op een ladder naar huis dragen (van iemand die te veel gedronken heeft)

Etymologie

*[zelfstandig naamwoord] ladder met uitɡanɡ -en

Vertalingen

Engelsladder, run
DuitsLaufmaschen bekommen