landbouwer

mannelijk (de)/lɑntbɑuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, landbouw (beroep) (landbouw) iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient (mannelijke vorm)

Etymologie

*afgeleid van landbouw

Vertalingen

Engelsagrarian, agricultural worker, cultivator
Fransagriculteur, cultivateur, fermier
DuitsBauer, Landwirt
Spaansagricultor, campesino, labrador
Italiaansagricoltore, contadino