lavabo

mannelijk (de)/laˈvabo/

Wat is de betekenis van lavabo?

lavabo betekent: (religie) (rooms-katholiek) gebed door de priester met een rituele handwassing als onderdeel van de Latijnse mis

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (rooms-katholiek) gebed door de priester met een rituele handwassing als onderdeel van de Latijnse mis
zelfstandig naamwoord
  1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
  2. bouwkunde, historisch (bouwkunde) (historisch) nis voor een wasbekken in middeleeuwse gebouwen
  3. historisch (historisch) waskom om handen te wassen
  4. religie (religie) (rooms-katholiek) kom of kan voor de rituele handwassing in de Latijnse mis

Voorbeelden van "lavabo" in een zin

  • De priester aan 't altaar echter heeft ook nog de collecten, het epistel en het graduale. Na het evangelie leest hij het offertorium, het lavabo en de secreten, den canon en het memento, en komt zoo tot de elevatie of opheffing (van de Hostie en de Kelk). Met het Pater Noster en het Agnus Dei, de benedictie en het St.-Jans-evangelie sluit hij de offerande.
  • Elke kamer had lavabo en bidet doch er was maar één badkamer voor de gasten.
  • De kruisgang, met uitgebouwd lavabo, wordt gedekt door een zoldering met samengestelde balklaag en troggewelfjes.
  • De lavabo is volgens Bitter vele tienduizenden euro's waard. De waterpot deed dienst bij speciale feestmalen. Gasten gebruikten de pot om de handen te wassen, wat een soort ritueel was. De eigenaar ontleende status aan het bezit van een lavabo.

Etymologie

*(m) vermoedelijk van "lavabo" ; vooral de oudste betekenis 4. kan ook direct aan het Latijn zijn ontleend

Vertalingen

Franslavabo
DuitsWaschbecken
Spaanslavabo
Italiaanslavabo