lector

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, beroep, wetenschap (onderwijs), (beroep), (wetenschap) docent aan een universiteit, een rang lager dan hoogleraar
  2. beroep (beroep) manuscriptenlezer voor een uitgeverij
  3. religie (religie) degene die tijdens de liturgie de lezingen voorafgaand aan de evangelielezing voorleest

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘titel aan universiteit’ voor het eerst aangetroffen in 1762

Vertalingen

Engelslector, lecturer
Spaanslector