leeftocht
mannelijk (de)/ˈleftɔxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- spijs en drank (met name die levensmiddelen die men op reis meeneemt)Zijn habitat is onderdeel van de tour langs avontuurlijk Zuid. De expeditie naar Vreewijk (het klinkt alsof je voldoende leeftocht moet meenemen) voert langs boerderijwoningen die door woningcorporatie Havensteder zijn gerenoveerd. Ervaring als boer is niet nodig. In Vreewijk tref je ook arbeidershuisjes die zijn samengevoegd tot één woning om te voldoen aan onze hedendaagse behoefte aan ruimte.NRC F. van Dijl 29 mei 2015Toen de Waldenzen hier aankwamen, hadden de bewoners het hazenpad gekozen en hun voorraden achtergelaten: brood, kaas en melk in overvloed. Maar de Waldenzen hadden een boek bij zich: de Instruzioni, het handboek van strateeg Giosué Gianavello, die als een Che Guevara avant la lettre fatsoen jegens de lokale bevolking verordonneerde. Daarom raakten de Waldenzen de spullen niet aan. Dat was niet naar de zin van hun gijzelaars, plaatselijke boeren die hen als gids moesten begeleiden. „Ze wezen erop”, schrijft Arnaud meesmuilend, „dat het voor soldaten gebruikelijk was zich zonder omhaal leeftocht toe te eigenen waar ze die maar aantroffen”. Na dit verborgen verwijt braken de Waldenzen met hun principe en verlustigden zich aan de voorraden. Volkskrant H. Vuijsje 6 oktober 2012
- (verouderd) voedingsmiddelen in het algemeen
- (verouderd) middelen om te voorzien in het bestaan
Etymologie
* Onder invloed van leven uit Middelnederlands "liftucht", samenstelling uit lif ‘(het) leven’ en tucht ‘vruchtgebruik’, waarvoor zie lijf en tocht. Doublet van lijftocht. Evenzo samengesteld zijn Nederduits Lieftucht ‘weduwgift’ en Duits dial. Leibzucht ‘weduwgift’, vero. Lebzucht ‘levensonderhoud’.
Vertalingen
Engelsvictuals, vittles
Fransvictuailles
DuitsWegzehrung
Spaansvitualla
Italiaansvettovaglie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek