leem

vrouwelijk (de)/lem/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) kleiachtige, in vochtige toestand plastische grond met een zandgehalte groter dan 20%
    Dat huis was op een grond van leem gebouwd.
zelfstandig naamwoord
  1. (België) sparre-, dennennaald, naald van een conifeer
  2. (België) scheef, d.w.z. stukje houtpijp, houtachtig afvaldeeltje van een vlas- of hennepstengel (in tegenstelling tot de vezels)

Etymologie

*[B]: (erfwoord) Middelnederlands "lēme", in de betekenis ‘(vis)graat; stoppels van vlas; doppen van koren, zaadstro’ voor het eerst aangetroffen in 1285 .Dit woord heeft zich ontwikkeld uit Oergermaans *līman-, verwant met Litouws liemuõ ‘houtblok, boomstam’.Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 338. Evenals Oudnoords lim(r) ‘lid; twijgje’ en Oudengels lim ‘lid, tak’ (Nieuwengels limb).

Vertalingen

Engelsloam
Fransterre glaise, glaise
DuitsLehm
Spaanssuelo franco
Italiaansterra grassa
Portugeessolo franco
Russischсугли́нок
Poolsglina zwykła