lel

mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klap, mep, oplawaai, schop
    Hij gaf zijn kameraad een enorme lel toen hij boos was.
  2. kanjer
    Iedereen krijgt een lel van een stuk papier om zijn gedachten op te schrijven.
  3. loshangend stukje vel zoals bij een oorlel
  4. slordige vrouw

Etymologie

* In de betekenis van ‘lapje (bv. van oor)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573