lel
mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klap, mep, oplawaai, schopHij gaf zijn kameraad een enorme lel toen hij boos was.
- kanjerIedereen krijgt een lel van een stuk papier om zijn gedachten op te schrijven.
- loshangend stukje vel zoals bij een oorlel
- slordige vrouw
Etymologie
* In de betekenis van ‘lapje (bv. van oor)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek