lepel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlepəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) (eetgerei) een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
    ' Ik knik en plant mijn lepel in de yoghurt, die zo dik is als hangop.
    Een grote kwak Griekse yoghurt, zo stevig dat mijn lepel rechtop blijft staan.
  2. een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een thee-, dessert- of eetlepel (resp. 5, 10 en 15 ml)
  3. een oor van een konijn of van een haas
  4. paardrijden (paardrijden) onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden
  5. blinkend kunstaas dat lijkt op een klein blinkend visje
    Als we met de jol naar mijn vaste plek roeiden, was het in het ergste geval binnen tien minuten nadat we onze lepels in het water hadden laten zakken voorbij.

Etymologie

* uit het Middelnederlands lepel, afgeleid van leppen (slurpen) , van de Germaanse wortel *lap-

Vertalingen

Engelsspoon
Franscuiller, cuillère
DuitsLöffel
Spaanscuchara
Italiaanscucchiaio
Portugeescolher
Russischложка
Chinees
Japansスプーン
Koreaans숟가락
Arabischملعقة
Turkskaşık, kaşık
Poolsłyżka
Zweedssked
Deensske