leugen

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈløɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
    De jongen verzon snel een leugen om onder straf uit te komen.
    Op maandag ging Trump nog een stapje verder. In zijn Air Force One noemde hij de Russische aanval ‘een vergissing’ en herhaalde hij nog maar eens de leugen dat de oorlog de schuld is van Joe Biden en Zelensky.[https://www.parool.nl/columns-opinie/vanuit-de-vs-geen-kritisch-woord-over-het-bloedbad-in-soemy-zo-ver-is-de-grootmacht-al-afgezakt~bc2e822f/ www.parool.nl (17 apr 2025)]
    Trump verspreidde in het laatste jaar van zijn vorige presidentschap volgens Washington Post gemiddeld 39 leugens per dag en dat is bepaald niet minder geworden.[https://www.parool.nl/columns-opinie/geen-aandacht-geven-doorlopen~bd69610a/ www.parool.nl (31 mei 2025)]

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "lueghene" / "logene" van Oudnederlands "lugina", in de betekenis van ‘onwaarheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • de vader der leugenen
  • een leugentje om bestwil
  • van leugens aaneenhangen
  • van leugens aan elkaar hangen
  • al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel

Vertalingen

Engelslie
Fransmensonge
DuitsLüge
Spaansmentira, embuste
Italiaansbugia
Portugeesmentira
Japans
Poolskłamstwo
Zweedslögn
Deensløgn