levenswijsheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de kunst om in alle levensomstandigheden juist te oordelen en te handelen
    Leef voor jezelf en vermijd deze twee kwaden, daaruit bestaat mijn levenswijsheid nu.
    Toen Boudewijn in 1993 plotseling overleed op 62-jarige leeftijd, ging de troon echter aan de 33-jarige Filip voorbij. Zijn vader werd geschikter geacht. Hij beschikte over de levenswijsheid en het zelfvertrouwen waar het Filip aan ontbrak.
  2. iets wat getuigt dat men de kunst om goed te leven beheerst

Etymologie

*afgeleid van levenswijs

Vertalingen

Engelswisdom of life