leverkwaal

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aandoening van de lever
    Die man grijpt zijn hand en zegt zijn naam met een luidruchtigheid die pijn doend tegen zijn slapen ketst: „Gijsbert, kerel, hoe gaat het! Ken je me niet meer? Je eigen broer Hendrik Karel! Terug uit de Oost met een leverkwaal maar met een gevulde buidel! Nietwaar mama, ik heb het immers voorspeld toen ik voor twaalf jaar wegging, dat ik als een rijk man uit de rimboe terug zou komen?" Mama.
    Lindeman was van plan die kort na kerst klaar te hebben, maar ondertussen speelde zijn leverkwaal weer op en in plaats van aan zijn artikel te werken lag hij drie weken in het ziekenhuis.