lichten

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) beginnen licht te worden
    Het lichtte al aan de horizon toen hij eindelijk in slaap viel.
    ' Zijn ogen lichten op in het maanlicht.
  2. onpr (onpr) bliksemen
    Hij zag het lichten in de verte en maakte zich ongerust over het naderende onweer.
  3. ov (ov) uit liggende positie opnemen, ophijsen, opheffen
    De tegels werden gelicht en het werk kon beginnen.
    Groot) De krachtmeting tijdens het toernooi had de vorm van een geritualiseerd massagevecht, waarbij het doel was tegenstanders uit het zadel te lichten en gevangen te nemen.
  4. leegmaken, lossen
  5. scheepvaart (scheepvaart) bergen van een gezonken schip

Etymologie

* In de betekenis van ‘optillen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Uitdrukkingen

  • De hand met iets lichtenminder streng zijn dan normaal
  • De hielen lichtener vandoor gaan
  • Het anker lichtenergens vertrekken, weggaan en verder reizen
  • Iemand de beurs lichtenvan iemand geld stelen/afhandig maken
  • Iemand de voet lichteniemand op gemene manier de baan afnemen
  • Iemand uit het zadel lichteniemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan
  • Iemands doopceel lichtenzeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft

Vertalingen

Engelsshine, empty
Spaansrielar, centellear, vaciar