limo
vrouwelijk (de)/ˈlimo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (drinken) (informeel) frisdrank van water, suiker en vruchten of met een fruitsmaakDus deden ze drank in haar limonade."Zoiets merk je toch?"Natuurlijk merkte ze het. Maar ze wilde zich niet laten kennen. Ze dronk het op zonder een spier te vertrekken. ‘Nóg een limo, mevrouw Paul?’ ‘O graag, meneer.’
- (verkeer) (informeel) verlengde luxe personenwagen met chauffeur, vaak voorzien van getinte ruitenVertel mij niets over omroepen: ze halen je met een blauwe limo van huis en 's nachts mag je lopend in de regen vertrekken.
Etymologie
*[2] van "limo"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek