loopsnelheid

vrouwelijk (de)/ˈlopsnɛlhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaart waarmee iemand zich lopend of hardlopend verplaatst
    Fricties tussen techniek en samenleving ontstonden vooral door de eenzijdige machtsverhouding: de klant diende zijn loopsnelheid aan te passen aan de minutieuze stiptheid van de spoorwegen, want treinen wachtten niet op burgers wier horloge een andere dan de spoorwegtijd aangaf.