loopvogel
mannelijk (de)/ˈlopfoɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) benaming voor vogels uit de superorde , met krachtige poten om te lopen maar vleugels die ongeschikt zijn om te vliegenIn Amsterdam, op de hoek van de Nieuwe Uilenburgerstraat en Houtkopersburgwal, prijkt een gevelsteen uit 1742 met de beeltenis van een struisvogel met een hoefijzer in zijn snavel. Deze wonderlijke combinatie komt voort uit de middeleeuwse misvatting dat struisvogels ijzer eten en kunnen verteren. De loopvogel is inderdaad een alleseter, maar heeft een voorkeur voor graszaden, vetplanten en in mindere mate termieten, sprinkhanen en hagedissen.
- (bij uitbreiding) benaming voor vogelsoorten die niet kunnen vliegenDe dodo is allang uitgestorven, maar de loopvogel leeft nog altijd voort in illustraties.Vissen vangen ze niet op het droge. Daardoor leren pinguïns ook al vrij snel zwemmen, door naar hun moeder te kijken. Maar Charlotte is een beetje verwend, ze leeft al sinds haar geboorte in een dierenpark in Gloucestershire. Een eigen visje vangen is niet aan de orde voor Charlotte, haar verzorgers brengen haar portie vis gewoon bij haar. Het gevolg daarvan is dat Charlotte weigert om te zwemmen. De loopvogel doet haar uiterste best om haar veren droog te houden.
Vertalingen
Engelsratite
Fransoiseau coureur
DuitsLaufvögel
Spaansave corredora
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek