loosheid
vrouwelijk (de)/ˈloshɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- onbetrouwbaarheid
- in samenstellingen: [het eerste lid van het woord] niet hebbend; zonder het [eerste lid van het woord]
Etymologie
* afleiding van loos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek