lork

mannelijk (de)/ˈlɔrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht die in de winter hun naalden laten vallen
    ‘Je ziet het overal in Vlaanderen: toppen van naaldbomen die ros staan te blinken in de zon. Voor een fijnspar kan dat duiden op aantasting, terwijl dat voor een lork net een teken van een goede gezondheid is. Verwarrend, dus best even dubbelchecken.’
    De Bourgoyen-Ossemeersen staat internationaal bekend voor zijn open graslanden. Die trekken zeer veel watervogels aan. Maar midden in het natuurreservaat, vlak bij de R4, ligt een vreemde eend in de bijt: het Valkenhuisbos. Dat is tien voetbalvelden groot en telt zowat 700 sparren, dennen, lorken en populieren. Stuk voor stuk buitenlandse soorten, en deze zomer worden ze allemaal gekapt.

Etymologie

*van Latijn "laryx"

Vertalingen

Engelslarch