luchtigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zorgeloosheid, vrolijkheid, onbezorgdheid‘Ach, leer mij Heleen kennen. Het zal ongetwijfeld over iets lulligs gaan. ’ De luchtigheid in haar stem was geforceerd.
- het doortrokken zijn met veel lucht
Etymologie
* afleiding van luchtig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek