luchtigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zorgeloosheid, vrolijkheid, onbezorgdheid
    ‘Ach, leer mij Heleen kennen. Het zal ongetwijfeld over iets lulligs gaan. ’ De luchtigheid in haar stem was geforceerd.
  2. het doortrokken zijn met veel lucht

Etymologie

* afleiding van luchtig