luiaard
mannelijk (de)/ˈlœyjart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- werkschuw persoonImmigranten worden door hem afgeschilderd als dronkenlappen en luiaards.
- (dierkunde) benaming voor zoogdieren uit de onderorde
- bepaald Zuid-Amerikaans zoogdier,
Etymologie
**[2] in de betekenis van ‘tandarm zoogdier’ voor het eerst aangetroffen in 1768
Vertalingen
Engelslazybones, loafer, idler
Fransfainéant, fainéante, feignasse
DuitsFaulpelz, Faultier
Spaansperezoso, perico ligero
Russischлентяй, лодырь, ленивец
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek