luid

/lœʏ̯t/

Wat is de betekenis van luid?

luid betekent: veel lawaai producerend

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. woorden met boekreferenties veel lawaai producerend
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
  2. gebiedende wijs van luiden
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden

Voorbeelden van "luid" in een zin

  • Langzaam nam hij zijn skibril af, keek me rustig aan, draaide het gastenboek naar zich toe en riep met een luide stem door het kleine café: ‘Tim Van Gogh.
  • Ik luid.
  • Luid!
  • Luid je?

Etymologie

In de betekenis van ‘hard klinkend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Duitslaut
Engelsloud
Fransfort, haut