luid
/lœʏ̯t/
Wat is de betekenis van luid?
luid betekent: veel lawaai producerend
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- veel lawaai producerend
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
- gebiedende wijs van luiden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luiden
Voorbeelden van "luid" in een zin
- Langzaam nam hij zijn skibril af, keek me rustig aan, draaide het gastenboek naar zich toe en riep met een luide stem door het kleine café: ‘Tim Van Gogh.
- Ik luid.
- Luid!
- Luid je?
Etymologie
In de betekenis van ‘hard klinkend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Vertalingen
Duitslaut
Engelsloud
Fransfort, haut
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek