luiden
meervoud/ˈlœydə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) doen klinken, gewoonlijk van een belDeze klok wordt zelden geluid.
- (inerg) het weerklinken van het geluid van een klokDe kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde.
- als inhoud hebbenHet bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) groep mensen
Etymologie
*[C]: afgeleid van "luide" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- de noodklok luiden
Vertalingen
Engelsring
Franssonner
Duitsläuten, klingen
Spaanssonar, tañer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek