luiden

meervoud/ˈlœydə(n)/

Wat is de betekenis van luiden?

luiden betekent: (ov) doen klinken, gewoonlijk van een bel

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) doen klinken, gewoonlijk van een bel
  2. inerg (inerg) het weerklinken van het geluid van een klok
  3. als inhoud hebben
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) groep mensen

Voorbeelden van "luiden" in een zin

  • Deze klok wordt zelden geluid.
  • De kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde.
  • Het bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken.

Etymologie

*[C]: afgeleid van "luide" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • de noodklok luiden

Vertalingen

Engelsring
Franssonner
Duitsläuten, klingen
Spaanssonar, tañer