man

mannelijk (de)/mɑn/

Wat is de betekenis van man?

man betekent: (biologie) persoon van het mannelijk geslacht

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) persoon van het mannelijk geslacht
  2. pregnant, familie, juridisch (pregnant), (familie), (juridisch) echtgenoot, getrouwde man
  3. mens, volwassen persoon in het algemeen; ook als aanspreekvorm
  4. dierkunde (dierkunde) mannelijk exemplaar van een diersoort
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het woord kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20)

Voorbeelden van "man" in een zin

  • Elke man houdt van voetbal.
  • Geen van de onderzoeken die waren uitgevoerd had antwoord kunnen geven op de vraag waarom de eerste brug in de rivier was gestort en achttien man had gedood.
  • Nu moet blijken of de aanstormende knapen mannen zijn geworden en de grote mannen grote mannen zijn gebleven.
  • John is de man van Elly.
  • Een man heeft voedsel nodig.

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws

Uitdrukkingen

  • anderhalve man en een paardenkop
  • de juiste man op de juiste plaats
  • een man een man, een woord een woord
  • een man van de klok zijn
  • geen man over boord zijn
  • aan de man brengen
  • man en paard noemen
  • man, man, man

Vertalingen

Engelsman, husband, human
Franshomme, mari, homme
DuitsMann, Ehemann, Mensch
Spaanshombre, marido, hombre
Italiaansuomo, marito, uomo
Russischмужчина, муж, человек
Japans男, ご主人, 夫
Turksadam, koca, eş
Zweedsman, man, make