kerel
mannelijk (de)/ˈkerəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) vrije man van lage geboorte
- forse, stevige man (een echte vent)Een brede kerel kwam het pad oplopen met twee grote emmers water in zijn handen.Ze waren de onbetwiste heerseressen van de barakken en hielden zonder problemen een twintigtal kerels onder de duim, hoe naar liefde snakkend die zich ook konden gedragen na meerdere maanden in de bergen.
- (informeel) man, echtgenoot
- (informeel) mannelijk persoonHier was duidelijk het verschil in leeftijd te zien: jonge kerels willen alles uitproberen, hoe gevaarlijker hoe beter.
Etymologie
*Afkomstig van het Middelnederlandse kerel of kerle (vrij man van niet-ridderlijke stand, dorpeling), dat afstamt van het oergermaanse *kerla-. Verwant met het Duitse Kerl en het Engelse churl of cheorl.
Vertalingen
Fransmec
DuitsKerl
Russischчувак
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek