vrouw

vrouwelijk (de)/vrɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) volwassen mens van het vrouwelijk geslacht
    De vrouw schrok. 'Wat doèn jullie hier?'
    Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.
  2. pregnant, familie, juridisch (pregnant), (familie), (juridisch) vrouwelijke partner in een blijvende relatie
    Op het feest werd ik aan zijn vrouw voorgesteld.
  3. verouderd, maatschappij (verouderd), (maatschappij) iemand van het vrouwelijk geslacht met veel aanzien, met een hoge maatschappelijke stand (bijv. van adel)
  4. kaartspel (kaartspel) speelkaart waarop een vrouwelijke figuur (vaak een koningin) staat afgebeeld

Etymologie

*[4]: in de betekenis ‘speelkaart met vrouwfiguur’ aangetroffen vanaf 1712.

Vertalingen

Engelswoman, wife
Fransfemme, verlan, meuf
DuitsFrau, Frau, Ehefrau
Spaansmujer, hembra, mujer
Italiaansdonna, moglie
Portugeesmulher, mulher
Russischженщина
Japans女, 夫人, 妻
Turkskadın
Poolskobieta, żona
Zweedskvinna, fru, hustru