luifel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlœyfəl/
Wat is de betekenis van luifel?
luifel betekent: (bouwkunde) afdak dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) afdak dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is
- (kamperen) overkapping of doek aan de voorzijde van een tent [1] om extra beschutting te bieden
- (hoofddeksel) veelal kapvormig, naar voren uitstekend deel van bijv. een hoed
- (informeel), (anatomie) neus [1]
Voorbeelden van "luifel" in een zin
- De luifel geeft bescherming tegen regen en felle zonneschijn.
- Iedereen was altijd dolblij om op een van zijn klapstoelen onder zijn luifel uit te rusten.
Etymologie
*(erfwoord): Met suffixsubstitutie uit Vroegnieuwnederlands "luifen", gevormd uit "luif" (nog in Antwerps en Limburgs), uit Middelnederlands "loive", "loeyfe", oostelijke bijvorm van klankwettig lōve ‘eenvoudig gebouwtje, keet; overdekte uitbouw’ (waaruit streektaal loove, loofe ‘luifel, loods, galerij, binnenplaats, grafelijk kasteel in Brugge’). Gaat terug op Oergermaans *laub-jō- ‘bladerdak, gebladerte’, afleiding van *lauba- ‘blad’; waarvoor zie loof. Evenzo Nederduits "Lööv" ‘afdak; tuinhuisje’ en Duits "Laube" ‘prieel, galerij’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek