Luis

mannelijk/vrouwelijk (de)/lΕ“ys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten

Etymologie

*van Middelnederlands "luus", in de betekenis van β€˜insect’ voor het eerst aangetroffen in 1285; cognaat met "louse" en "Laus"

Uitdrukkingen

  • Beter een luis in de pot dan helemaal geen vlees β€” Wees met weinig tevereden als je toch niet meer bereikt.
  • Dat is een hongerige luis β€” Dat is een gierigaard.
  • Er kan geen luis over zijn lever lopen of hij reageert β€” Hij is lichtgeraakt.
  • Hem loopt een luis over de lever β€” Hij wordt boos.
  • Hij wordt van de luizen opgevreten β€” Hij zit vol ongedierte.
  • Hij zit in de luizen β€” Hij heeft grote zorgen.
  • Leven als een luis op een zeer hoofd β€” het fantastisch goed hebben
  • Magere luizen bijten het hardst β€” Wie arm is probeert op eigen wijze aan de kost te komen.

Vertalingen

Engelslouse
Franspou
DuitsLaus
Spaanspiojo
Italiaanspidocchio
Portugeespiolho
Russischвошь
Zweedslus
Deenslus