lullen

/ˈlʏlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. informeel (informeel) onzinnige of onbelangrijke dingen zeggen
    Wat zit je nou te lullen?
  2. informeel (informeel) verraden
    Hij heeft tegen de politie zitten lullen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kletsen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1709

Uitdrukkingen

  • niet lullen, maar poetsen

Vertalingen

Engelstalk bullshit
Fransdéconner
Duitsschwätzen, schwafeln