lullepot

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een portie geklets; iemand die kletst
    De Nederlandse ambassadeur in Oost-Berlijn die zich in de nieuwe roman van F. Springer, Quadriga, door de publicist Robert Somers en nog een handjevol andere vrienden als ‘Raaf’ (kort voor Raphael) laat aanspreken, heeft een laconieke taakopvatting. Begroet hij op de Leipziger Messe partijleider Erich Honecker in de Nederlandse stand, dan noemt hij zijn welkomstwoord tegenover Somers een ‘lullepot’.
    Komt een man een kroeg binnenlopen, geagiteerd. Bestelt een glas sterke drank en steekt van wal. Zeker als hij wat gedronken heeft, houdt hij wel van een lullepot, zo horen we.
  2. treuzelaar