magiër

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. oosterse wijze, uitlegger van de astrologie en dromen, priester bij de Meden en de Perzen
    De drie magiërs uit het oosten brachten geschenken aan Jezus Christus
  2. tovenaar
    De goochelaar noemde zichzelf een magiër

Etymologie

*afgeleid van magie

Vertalingen

Spaansmago