magiër
mannelijk (de)/xxxx/
Wat is de betekenis van magiër?
magiër betekent: oosterse wijze, uitlegger van de astrologie en dromen, priester bij de Meden en de Perzen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- oosterse wijze, uitlegger van de astrologie en dromen, priester bij de Meden en de Perzen
- tovenaar
Voorbeelden van "magiër" in een zin
- De drie magiërs uit het oosten brachten geschenken aan Jezus Christus
- De goochelaar noemde zichzelf een magiër
Etymologie
*afgeleid van magie
Vertalingen
Spaansmago
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek