maiskip
vrouwelijk (de)/ˈmɑjskɪp/
Wat is de betekenis van maiskip?
maiskip betekent: (landbouw) kip waaraan veel mais en vaak ook kleurstof is gevoerd
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) kip waaraan veel mais en vaak ook kleurstof is gevoerd
- (voeding) geel getint vlees van kippen waaraan veel mais en vaak ook kleurstof is gevoerd
Voorbeelden van "maiskip" in een zin
- Het is belangrijk een maiskip te nemen. De ondoordringbare zoutverpakking houdt alle geuren binnen, en een „gewone" kip die zich met vismeel in leven heeft moeten houden, ruikt daar na deze bereidingswijze zeer nadrukkelijk naar.
- Vraag uw leverancier een flinke braadkip (liefst een zg. boerekip of een „maiskip") in acht stukken te verdelen.
- Maal in de keukenmachine de maiskip heel fijn, samen met de cognac en eventueel een beetje room.
- De menukaart van chefkok Ad Bocxe is er eentje zonder fratsen — een gekkigheidje als scampi met maiskip, of kalfsbiefstuk gevuld met gerookte zalm daargelaten.
Etymologie
*, vanaf 1976 (in advertenties) aangetroffen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek