majordomus

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoofd van de huishouding
    Ook als ik niet op het bestaan van de majordomus zou zijn voorbereid, had hij mij onmogelijk kunnen ontgaan. Zodra ik één voet over de drempel had gezet van zijn vesting en heiligdom, danste hij mij tegemoet. Hij verwelkomde mij met zoveel egards, krullen en arabesken dat het overduidelijk was dat ik met een professional te maken had. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard
    Steevast gevolgd door: “Sylvie…!” (zijn secretaresse of anders een van de schier onuitputtelijke voorraad goed in het pak zittende majordomussen waarover hij beschikt) “Hebben wij niet nog een extra exemplaar van dat en dat boek (of een pak van die thee, of waar het op dat moment maar over gaat) liggen?” HP de Tijd 13/11 | 2009 [https://www.hpdetijd.nl/2009-11-13/the-art-of-being-freddy/ The art of being Freddy]
    In het kader van Vatileaks, het schandaal om de publicatie van vertrouwelijke documenten uit het Vaticaan, is de Heilige stoel een formeel onderzoek gestart tegen de majordomus (butler) van de paus, Paolo Gabriele. Dat heeft woordvoerder Federico Lombardi van het Vaticaan zaterdag meegedeeld. De Standaard 26/05/2012 om 15:43 door hrt [https://www.standaard.be/cnt/dmf20120526_066 Formeel onderzoek tegen pauselijke butler]

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsmajor-domo