makelaar
mannelijk (de)/ˈmakəˌlar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (handel) (beroep) de tussenpersoon in de handel, zowel van roerende als onroerende goederenEen makelaar in koffie.Vette bonussen en vriendjespolitiek onder makelaars (van woningen) [https://radar.avrotros.nl/uitzendingen/gemist/item/vette-bonussen-en-vriendjespolitiek-onder-makelaars/ radar.avrotros.nl (6 sep 2021)]
- (bouwkunde) een verticale balk in een dakconstructie tussen nok en hanenbalk
- (bouwkunde) een ornament op een markant punt van een bouwwerkEen gevelpunt met een eenvoudige makelaar.
- (bouwkunde) een verticale aanslagstrip tussen 2 vleugels van een kast of van een deur
Etymologie
* van makelen
Vertalingen
Engelsbroker
Franspoinçon, poinçon, mauclair
Spaanscomisionista, corredor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek