makelaar

mannelijk (de)/ˈmakəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handel, beroep (handel) (beroep) de tussenpersoon in de handel, zowel van roerende als onroerende goederen
    Een makelaar in koffie.
    Vette bonussen en vriendjespolitiek onder makelaars (van woningen) [https://radar.avrotros.nl/uitzendingen/gemist/item/vette-bonussen-en-vriendjespolitiek-onder-makelaars/ radar.avrotros.nl (6 sep 2021)]
  2. bouwkunde (bouwkunde) een verticale balk in een dakconstructie tussen nok en hanenbalk
  3. bouwkunde (bouwkunde) een ornament op een markant punt van een bouwwerk
    Een gevelpunt met een eenvoudige makelaar.
  4. bouwkunde (bouwkunde) een verticale aanslagstrip tussen 2 vleugels van een kast of van een deur

Etymologie

* van makelen

Vertalingen

Engelsbroker
Franspoinçon, poinçon, mauclair
Spaanscomisionista, corredor