manchet

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑnˈʃɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dubbele of stevige stof rond de opening van de mouw of hals
  2. hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘handboord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1731

Vertalingen

Engelscuff, sabot
Spaanspuño, manguito
Poolsmankiet