mand

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) bak, gemaakt uit vlechtwerk voorzien van een handvat (oorspronkelijk werden plantenstengels als tenen of rotan gebruikt, tegenwoordig ook kunststof of metaal)
    Ze moest de spullen in een mand doen.
    Tante Nella zet de mand op de trap en pakt haar bij de armen.
    Zij staat pal naast de mand in het midden, met witte strik in het haar, en hij op de achterste rij schuin achter haar, met een wit overhemd en stropdas.

Etymologie

*van Middelnederlands "mande" van Oudnederlands "manda", in de betekenis van ‘gevlochten korf’ aangetroffen vanaf 1285

Uitdrukkingen

  • door de mand vallenbekend worden wat je eigenlijk geheim had willen houden
  • Een rotte appel in de mand maakt de gehele vrucht tot schandStoett-96 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Een rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schandals iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep; door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen

Vertalingen

Engelsbasket
Franspanier
DuitsKorb, Warenkorb
Spaanscesta, cesto
Portugeescesto, cesta
Russischкорзина
Arabischسلة
Turkssepet
Poolskosz
Zweedskorg
Deenskurv