markeren

/mɑr.kɪː.rə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het afbakenen van een grens
    Zij waren bezig de vluchtstrook met een ononderbroken witte lijn te markeren.
    Nog voordat ik mijn pakken en overhemden ging uithangen in de kleerkast in de achterkamer, voerde ik het ritueel uit waarmee ik het bureau als mijn territorium markeerde.

Etymologie

*afgeleid van het Franse marquer () [https://fr.wiktionary.org/wiki/marquer Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsmark
Fransmarquer
Duitsmarkieren
Spaansmarcar, acotar