maten

/ˈmaːtə(n)/

Wat is de betekenis van maten?

maten betekent: meervoud verleden tijd van meten

Betekenis

werkwoord
  1. meervoud verleden tijd van meten
zelfstandig naamwoord
  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maat

Voorbeelden van "maten" in een zin

  • Wij maten.
  • Jullie maten.