materie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) de bouwsteen waaruit de (waarneembare) wereld is opgebouwd
    Nadat zo'n zwart gat is gevormd, kan het toenemen in grootte door materie uit de omgeving op te nemen.
    Haar aanwezigheid was een duistere, vormeloze materie in de slaapkamer op de bovenverdieping, en het was alsof het huis doordrenkt raakte van schuldgevoel.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stof’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsmatter
Fransmatière
DuitsMaterie
Spaansmateria
Japans物質
Turksmadde
Poolsmateria
Zweedsmateria