matig
ˈmatəx
Wat is de betekenis van matig?
matig betekent: in geringere mate dan mogelijk of gewenst
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- in geringere mate dan mogelijk of gewenst
- niet zo goed
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
- gebiedende wijs van matigen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
Voorbeelden van "matig" in een zin
- Hij is een matige eter.
- Een onbekende stem vertelde een eindeloos lange mop met een zeer matige clou, maar ik was allang blij afgeleid te worden.
- Zo kon je altijd wel een grap of opmerking maken over iets dat niet goed geregeld was, zoals matig eten of kaartlezen op weg naar Zuid-Frankrijk.
- Ik matig.
- Matig!
Etymologie
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘binnen redelijke maat’ voor het eerst aangetroffen in 1475
Vertalingen
Duitsmäßig, moderat
Engelsmoderate
Spaanssobrio, moderado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek