matigheid
Wat is de betekenis van matigheid?
matigheid betekent: van een persoon dat deze niet teveel eet en drinkt
Betekenis
- van een persoon dat deze niet teveel eet en drinkt
Voorbeelden van "matigheid" in een zin
- Hij kijkt om zich heen naar de mossen en asymmetrisch geplante lage varens. ` Wat me verbaast is dat een volk dat toch meent rechtstreeks van de goden af te stammen zo opzichtig matigheid nastreeft.'{{Aut|Beijnum, Kees van
- Zo kwam het dat Rob langzaam maar zeker zijn voorgenomen matigheid uit het oog verloor en hij avond aan avond van De Vos naar het huis aan Thames Street wankelde om zich door Mary als een onbeholpen kleuter naar bed te laten helpen. {{Aut|Gordon,Noah
Betekenis en uitleg van matigheid
Matigheid verwijst naar het vermogen om dingen met mate te doen, zonder overdaad of extremen. Het gaat vooral om balans en controle, zowel in gedrag als in consumptie.
Dit woord wordt vaak gebruikt in contexten waarin het belangrijk is om niet te overdrijven, zoals bij eetgewoonten, alcoholgebruik of zelfs emoties. Matigheid kan een positieve connotatie hebben, omdat het duidt op een verstandig en bedachtzaam leven. Het is een waarde die in veel culturen wordt gepromoot, vaak als een deugd.
Voorbeelden
- Zij beoefent matigheid in haar dieet, waardoor ze zich fitter en energieker voelt.
- Hoewel het verleidelijk was om alles op de feesttafel te proberen, koos hij voor matigheid en nam slechts kleine porties.
- In het gesprek over financiën benadrukte de adviseur het belang van matigheid bij het uitgeven van geld.
Woordoorsprong
Het woord 'matigheid' komt van het Middelnederlandse 'matighede', wat 'gematigdheid' of 'beheersing' betekent. Het is verwant aan het werkwoord 'matigen', dat 'beheersen' of 'temmen' betekent.
Veelgestelde vragen over matigheid
Wat is de betekenis van matigheid?
matigheid betekent: van een persoon dat deze niet teveel eet en drinkt
Welk woordgeslacht heeft matigheid?
matigheid is een vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van matigheid?
Synoniemen van matigheid zijn: ingetogenheid, nuchterheid, soberheid, stemmigheid, temperantie.
Hoe gebruik je matigheid in een zin?
Voorbeeld: “Hij kijkt om zich heen naar de mossen en asymmetrisch geplante lage varens. ` Wat me verbaast is dat een volk dat toch meent rechtstreeks van de goden af te stammen zo opzichtig matigheid nastreeft.'{{Aut|Beijnum, Kees van”
Etymologie
* afleiding van matig