matrix

vrouwelijk (de)/ˈmatrɪks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
    Het vermenigvuldigen van twee matrices commuteert niet, zodat A.B niet hetzelfde is als B.A.
  2. scheikunde, geologie (scheikunde), (geologie) het materiaal waarin iets ingebed zit

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘getallenschema’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1919

Vertalingen

Engelsmatrix
Fransmatrice
DuitsMatrix