meniscus
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een schijfje kraakbeen dat zich los tussen de benige uiteinden van sommige gewrichten bevindt
- (natuurkunde) (hol of bol) gebogen vloeistofoppervlak
- (optica) een lens met een holle en een bolle kant
Etymologie
* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘kraakbeenschijf in het kniegewricht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1886
Vertalingen
Spaansmenisco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek