mensenstroom

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zich voortbewegende mensenmassa
    Met de klapmuts over zijn ogen getrokken en de map onder zijn jas dreef hij mee op de mensenstroom.
    Een nieuw camerasysteem moet nu in kaart brengen hoeveel mensen er precies in de oude stad rondlopen. Zes camera's, verspreid over de poorten van de stad, leggen de mensenstroom vast. Een computerprogramma telt automatisch hoeveel mensen er langs komen.