meter

/ˈmetər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, eenheid (m) (natuurkunde), (eenheid) de SI-basiseenheid van lengte, weergegeven met symbool m
    Wandeling: 12 kilometer, 300 meter stijgen en l00 meter dalen, 4 uur Lauren Nikki zit met betraande ogen tegen Gijs aan.
    Amateurwielrenners op de Planche des Belles Filles leggen de laatste 200 meter vaak te voet af.
    Als je hier zou uitglijden zou je honderden meters naar beneden vallen.
  2. techniek (m) (techniek) meetinstrument, gereedschap of toestel om grootheden (maten, gewichten) te bepalen (zie ook meter)
    De wijzer van de meter mag niet in het rode gebied komen.
  3. techniek (m) (techniek) iemand die metingen verricht of meters afleest
  4. (f): een doopmoeder

Etymologie

* van meten

Uitdrukkingen

  • aan de lopende meter
  • geen meter vooruitkomen
  • meters maken
  • voor geen meter

Vertalingen

Engelsmeter, metre, meter
Fransmètre, compteur, mesureur
DuitsMeter, Messgerät, Messer
Spaansmetro, madrina
Italiaansmetro
Poolsmetr, miernik, mierniczy