middaghitte

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de hoge temperatuur van de (zomer)middag veroorzaakt door de hoge stand van de zon
    Door de kou gaf alles een dikkere damp af— van de middaghitte was niets meer over, de dames hadden omslagdoeken om, sommigen een pelerine van bont en het tochtte ook, uit de bogen en de spleten tussen de muurvakken.
    De autoriteiten waarschuwden de middaghitte te mijden.